Sergei Protopopov

Volgens de overlevering moet Sergei Protopopov (1893-1954) een formidabele pianist zijn geweest. Zijn uitermate virtuoze pianowerken wijzen ook in die richting, hoewel je niet per se een technisch tot de tanden gewapende pianist hoeft te zijn om virtuoos voor het instrument te kunnen schrijven (veel historische voorbeelden tonen dat onomstotelijk aan).
Pionier
Protopopov was een pionier op het gebied van de symmetrische harmonie en ritmische modaliteit, wat tevens inhield dat zijn avant-gardistische opvattingen en werkwijze hem, zoals zoveel andere kunstenaars, in botsing bracht met het stalinistische regiem dat uitsluitend het Socialistisch Realisme voorstond. En aangezien de dictator eerst in 1953 overleed en Protopopov ook die vréselijke jaren dertig als toen dertigjarige moet hebben beleefd (met het meer dan alleen maar symbolische koffertje met kleding en eerste levensbehoeften altijd gereedstaand onder het bed), zal hij zeker in artistiek opzicht met de nodige omzichtigheid hebben moeten opereren.
In 1922 voltooide Protopopov zijn Pianosonate op. 1. Lenin was toen nog aan de macht (na diens dood in 1924 werd hij door Stalin opgevolgd). Het driedelige werk wortelt nog in de laatromantische traditie, en dan met name in die van Skrjabin. Meer...
Hoewel Protopopov toen al experimenteerde met post-tonale harmonieën, octatonische toonladders (de acht-toonladder, afgewisseld door halve en hele tonen) en tritonus-verbindingen. Het avant-gardisme hadop de componist evenwel nog geen ferme greep: het rijk aangeklede en harmonisch verzadigde stuk klinkt zelfs aangenaam in minder 'verwende' oren.
Twee jaar later, in 1924, kantelt dat beeld echter aanzienlijk met de komst van de eendelige Pianosonate op. 5, van begin tot eind gedomineerd door een slechts drie noten bestaand motief dat zich in meerdere lagen en in verschillende tempi manifesteert. Het verrassingseffect (dat niet verdwijnt na meerdere malen beluisteren) is al even fascinerend als de veelkleurige klanktextuur.
Opus Magnum
De in het cd-boekje terecht als ‘Opus Magnum' bestempelde, eveneens eendelige Pianosonate op. 6 stamt uit de periode 1924-1928, door de componist opgedragen aan Leonardo da Vinci. De tijdsduur is rond een halfuur, de expressieve dimensies ervan ronduit kolossaal, alsof Protopopov er alles aan gelegen was om zijn muzikale hart en ziel zonder enige terughoudendheid uit te storten. Het ‘bombardement' in klank dat op de toehoorder wordt afgevuurd doet in dit opzicht denken aan het werk van Oestvolskaja: compromisloos, maniakaal, onverbiddelijk.
Op glad ijs
Valt dit te rijmen met zijn gebrek aan bekendheid in de Sovjet-Unie aan het begin van de jaren dertig? In zijn toelichting verwijst Mattias Spee naar wat feitelijk zoveel kunstenaars in die tijd overkwam: dat hun werk door de machthebbers werd geboycot. Terwijl Protopopov zich reeds op glad ijs bevond door zijn lidmaatschap van de Vereniging voor Eigentijdse Muziek, een vooruitstrevend instituut dat niet alleen vanuit het Kremlin met argusogen werd gevolgd.
Protopopovs muziek stond in alle denkbare opzichten volkomen haaks op het stalinistisch principe van ‘kunst voor het proletariaat' en complexe, intellectuele kunstuitingen niet geschikt waren voor de onopgeleide arbeidersklasse. Ten tijde van het Eerste Congres van Sovjetschrijvers werd dit tot een ware ware doctrine verheven. Dat was in Moskou in 1934, toen de Bond officieel werd opgericht, met Maksim Gorki als gekozen voorzitter. Het was dit congres dat een belangrijke stap zette op de weg naar staatscontrole over niet alleen de literatuur, maar ook alle andere kunstvormen. Dat Protopopovs buitengewoon ingewikkelde composities in het na te streven ‘volkse' beeld (het ‘Socialistisch Realisme') niet pasten, sprak voor zich, maar ook dat hij daardoor als ‘vijand van het volk' werd afgeschilderd. Dat kon niet ongestraft blijven. In 1931 verscheen Protopopovs Elementen van de Structuur van Muzikale Spraak, waarin hij diep inging op wat in zijn visie muziektheorie en esthetiek betekenden: de wijze waarop elementen in de muziek zodanig kunnen worden gestructureerd dat zij in staat zijn om betekenis en emotie op de toehoorder over te brengen; en in die zin dus vergelijkbaar met gesproken taal. De auteur maakte in zijn boek inzichtelijk hoe de relatie tussen muziek en de menselijke perceptie daarvan zich ontwikkelt. Protopopov borduurde in zijn boek voort op eerder werk van zijn voormalige leraar Nikolaj Jaworski, en in het bijzonder diens uit 1908 stammende theorie omtrent de ritmische modaliteit. Diens werk was van grote invloed op het muziekonderwijs in Rusland.
'Anti-marxistisch'
Protopopov toonde zich in zijn boek nog aanmerkelijk radicaler dan Jaworski door voor het eerst de theorie rond de ritmische modaliteit te verbinden met microtonaliteit. Het bleek voor de machthebbers een brug te ver: het boek kreeg het stempel ‘anti-marxistisch' opgedrukt en daarmee leek Protopopovs carrière als componist en theoreticus voorgoed te zijn geknakt.
In 1932 deed hij nog wel een poging om bij de autoriteiten in het gevlei te komen door muziek te componeren volgens de richtlijnen van het Socialistisch Realisme (waaronder het patriottische Komsomol Sneeuwstorm op. 13 en een sentimenteel liefdeslied op een tekst van Poesjkin), maar zijn lot was al bezegeld.
Arrestatie, cel en werkkamp
Op 4 maart 1934 geschiedde het onvermijdelijke: Protopopov werd door de geheime politie gearresteerd en tot drie jaar cel veroordeeld wegens ‘homoseksuele activiteiten'. Hoewel in de gehele Sovjet-Unie verboden, waren homoseksuele contacten zeker in de hogere artistieke kringen niet ongewoon en door de autoriteiten oogluikend toegelaten. Toch werd de liefdesrelatie tussen Protopopov en Jaworski de eerste fataal, met als rechtstreekse aanleiding de wet die het Centraal Uitvoerend Comité van de Sovjet-Unie op 17 december 1933 in werking had gesteld en die het gemakkelijker maakte om homoseksuelen te vervolgen. Dat alleen de progressieve kunstenaar Protopopov het werkelijke mikpunt was blijkt wel uit het feit dat Jaworski niet werd gearresteerd en deze hem zelfs in de gevangenis kon bezoeken. Zelfs nadat Protopopov al binnen het jaar werd overgeplaatst naar het werkkamp Dmitlag, waar hij met duizenden andere dwangarbeiders werkte aan de aanleg van het kanaal dat Moskou met de Wolga verbond, kon Jaworski hem daar nog regelmatig bezoeken.
Dat veranderde echter in 1935, toen Protopopov werd overgeplaatst naar een ‘heropvoedingskamp' in Siberië, even buiten Irkoetsk. Daar heeft hij toch nog kunnen componeren, zoals blijkt uit meerdere manuscripten die bewaard zijn gebleven in het archief van het Nationale Muziekmuseum, gedateerd tussen 26 juli en 4 augustus 1935, waaronder orkestbewerkingen van volksliedjes van onbekende oorsprong en een lied genaamd Vaarwel Leven, Vaarwel, Mijn Vreugde.
Muziekwedstrijd
Lang verbleef Protopopov evenwel niet in dat kamp bij Irkoetsk, want hij werd al spoedig weer teruggestuurd naar Dmitlag. Mogelijk hield dit verband met een muziekwedstrijd die er door de daar dienstdoende officieren werd georganiseerd. De gevangenen werden aangemoedigd om hun meest patriottische liederen in te zenden, waarna die werden beoordeeld door een comité bestaande uit prominente Sovjet-musici, waaronder Dzjertsjinki, Starokadomski en Kabelevski. Er namen maar liefst 72 gevangenen deel, hoewel slechts twee ervan een muzikale achtergrond hadden: de pianist Aleksandr Rozanov en Protopopov. Daar de overige medegevangenen geen noot op papier wisten te krijgen was het aan Rozanov en Protopopov om de voorgezongen melodieën te noteren en er de pianobegeleiding bij te maken. De officier die het gehele project onder zijn hoede had, Michail Cerniak, stak niet onder stoelen of banken dat het uitsluitend aan Rozanov en Protopopov te danken was dat de ‘competitie' een waar succes werd. Waaruit, vermoed ik, mag worden afgeleid dat zij het waren die de 72 liedjes vrijwel geheel hebben gecomponeerd… Voor de machthebbers gold uiteraard iets anders: dat 72 muzikaal ongeletterden dankzij hun ‘heropvoeding' toch maar in staat waren gebleken om met goed gecomponeerde liedjes voor de dag te komen, mede geïnspireerd door dwangarbeid en hun liefde voor het communisme. Jawel!
Sjostakovitsj schreef erover in het communistische tijdschrift Op de Stormweg:
‘Ik heb naar de muziekstukken van de Kanaalkunstenaars van Dmitlag gekeken. Ze zijn van een hoog niveau. Sommige zijn beter, andere slechter. Ik wil de muziekkringen van Dmitlag aanmoedigen om zoveel mogelijk componisten in de Kanaalkunstenaars te ontdekken. Uit de stukken die ik heb gehoord blijken de ideeën afkomstig van getalenteerde componisten. De arrangementen gemaakt door kameraad Rozanov tonen dit aan. Het balalaika-lied van kameraad Strucko is prachtig. Dat van kameraad Tsjevtsjenko onthult een groot compositorisch talent. Het belangrijkste is echter om te werken en te leren.'
Was Sjostakovitsj eerlijk in zijn beoordeling? Of schreef hij alleen maar op hetgeen de autoriteiten van hem verwachtten? Hij had immers een gezin en een carrière? Hoewel er geen enkele twijfel over is dat Sjostakovitsj het werk van Protopopov wel degelijk bewonderde en zijn invloed binnen de Communistische Partij ten gunste van hem gebruikte (en Protopopov was wat dit betreft de enige niet). Wat eveneens vaststaat is dat Rozanov noch Protopopov ook maar enige substantiële waardering ten deel viel als componist ten behoeve van die muziekwedstrijd in Dmitlag. Wel ontvingen ze beiden een erepenning en honderd roebel voor hun muzieknotaties. Het was wel duidelijk waar het de machthebbers om ging: niet dat componisten zichzelf in hun kunst vrij konden profileren, maar dat ze hun rol dienden (mee) te spelen in het nakomen van de doelstellingen van het regiem.
'Veilig'
Protopopov mocht in 1938 Dmitlag verlaten en met hulp van Jaworski kon hij docent muziektheorie worden aan het Moskous conservatorium. Hij bleef componeren, maar zijn muziek was minder avontuurlijk en gepassioneerd dan voorheen. De meeste werken in die tijd waren ‘veilig' getoonzet, tandeloos en voorspelbaar. De eerste publicatie na zijn vrijlating betrof een wiegenliedje, geïnspireerd op een eenvoudig Russisch volkswijsje. De pianobegeleiding is zeker geslaagd en het ontpopt zich als een charmant miniatuur, maar wat eraan ontbreekt is de verbeelding, zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen wat Protopopov vroeger had gecomponeerd.
In 1941 verscheen zijn Vijf stukken voor piano op. 23 in druk, waarin zijn persoonlijke handtekening nauwelijks nog te herkennen is. Soms duikt het op: die experimentele en rebellerende vonk, maar de dissonanten botsen slechts zeer kortstondig. Voordat het echt interessant begint te worden zakt de muziek alweer terug in de geriefelijke en herkenbare tonaliteit.
Bach-project
Jaworski, Protopopovs liefde-van-zijn-leven, overleed in 1942. Spoedig daarna verliet Protopopov het conservatorium, hetzij onder druk van anderen, hetzij omdat het verdriet hetm het verder doceren in de weg stond. In de daarop volgende jaren was er niemand op wie hij verder nog kon rekenen en componeren deed hij slechts mondjesmaat. Hij bewerkte een aantal Russische volksliedjes en nam een aantal vroegere werken onder handen die tot dan nog niet waren gepubliceerd. Verder wijdde hij zich nog aan het arrangeren van liederen van Johann Sebastian Bach, waaraan Jaworski al eerder de pianobegeleiding had uitgewerkt en die Protopopov nu zette voor koor. Dit project nam twee volle jaren in beslag, waarna in 1953, in het jaar van Stalins dood, uiteindelijk de publicatie volgde.
Het einde
Protopopov overleed in Moskou op 14 december 1954, in de anonimiteit, 61 jaar oud. Hij heeft niet of nauwelijks nog mogen profiteren van de meer coulante houding van Stalins opvolger Chroesjtsjov, die als overwinnaar uit de interne machtsstrijd binnen de Communistische Partij tevoorschijn was gekomen en die tot zijn aftreden in 1964 verantwoordelijk was voor wat de periode van ‘dooi' zou gaan heten.

© Aart van der Wal, februari 2025


website
wikiMusica hD
Audioshop.nl